Psalmen 119:51

Statenvertaling (States Bible)

De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 23:11 : 11 Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
  • Ps 44:18 : 18 Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.
  • Jer 20:7 : 7 HEERE! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmocht; ik ben den gansen dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij.
  • Ps 119:157 : 157 Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
  • Ps 123:3-4 : 3 Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat. 4 Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.
  • Jes 38:3 : 3 En hij zeide: Och HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende gans zeer.
  • Jes 42:4 : 4 Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten.
  • Ps 119:21 : 21 Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
  • Ps 119:31 : 31 Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.
  • Ps 119:69 : 69 De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
  • Luk 16:14-15 : 14 En al deze dingen hoorden ook de Farizeen, die geldgierig waren, en zij beschimpten Hem. 15 En Hij zeide tot hen: Gij zijt het, die uzelven rechtvaardigt voor de mensen; maar God kent uw harten; want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God.
  • Luk 23:35 : 35 En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.
  • Hand 20:23-24 : 23 Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. 24 Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.
  • Heb 12:1-3 : 1 Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; 2 Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God. 3 Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 119:78-79
    2 verzen
    78%

    78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.

    79Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.

  • 85De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.

  • 69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.

  • 77%

    157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.

    158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.

  • Ps 119:21-23
    3 verzen
    76%

    21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.

    22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.

    23Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.

  • 110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.

  • 141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.

  • Ps 119:52-53
    2 verzen
    74%

    52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.

    53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.

  • 74%

    101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.

    102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.

  • 61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.

  • 5Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.

  • 161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.

  • 21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.

  • 31Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.

  • 22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.

  • 39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.

  • 11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.

  • 17Ik heb in den raad der bespotters niet gezeten, noch ben van vreugde opgesprongen; vanwege Uw hand heb ik alleen gezeten, want Gij hebt mij met gramschap vervuld.

  • 56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.

  • Ps 119:42-43
    2 verzen
    71%

    42Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.

    43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.

  • 87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.

  • 11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.

  • 2Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.

  • 67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.

  • 50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.

  • 1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.

  • 143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.

  • 174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.

  • 18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.

  • 71Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.

  • 7Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

  • 11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.

  • 14He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.

  • 92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.

  • 14O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.

  • 4Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.

  • 153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.

  • 7HEERE! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmocht; ik ben den gansen dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij.

  • 12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

  • 15Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.

  • 95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.

  • 70%

    121Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.

    122Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.