Psalmen 119:150
Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.
Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
155Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.
156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
151Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.
115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
85De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
4Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen.
5De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.
53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
20Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
70Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.
20Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;
15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
27Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.
21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
29Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
2Red mij, HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.
20Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.
3Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.
20De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.
61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
6Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
165Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.
27Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
79Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
113Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
126Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.
51De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.
29De HEERE is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren.
1Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.