Job 28:14
De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.
De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.
16Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.
17Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.
18De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen.
19Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
21Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
23Dit alles heb ik met wijsheid verzocht; ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij.
24Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?
8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?
9Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
19Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?
1Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.
2Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.
11De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;
11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
3Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.
15Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
18Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
6Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.
7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?
15Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden.
5De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.
18En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;
7Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
13Het is ook niet op gene zijde der zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen?
5De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.
17Toen zag ik alle werk Gods, dat de mens niet kan uitvinden, het werk, dat onder de zon geschiedt, om hetwelk een mens arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja, indien ook een wijze zeide, dat hij het zou weten, zo zal hij het toch niet kunnen uitvinden.
14Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.
7O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.
21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;
4Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.
28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;
30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.
16Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!
4Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een.
8Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen der zee vertellen.