Job 39:22

Statenvertaling (States Bible)

Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 39:16 : 16 Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?
  • Job 39:18 : 18 En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?
  • Job 41:33 : 33

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 39:23-25
    3 verzen
    82%

    23Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.

    24Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.

    25Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.

  • Job 39:18-21
    4 verzen
    82%

    18En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?

    19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.

    20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.

    21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

  • Job 41:25-29
    5 verzen
    75%

    25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.

    26

    27

    28

    29

  • 22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.

  • 22Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde.

  • Job 41:9-10
    2 verzen
    73%

    9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.

    10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.

  • Spr 30:30-31
    2 verzen
    73%

    30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;

    31Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.

  • 7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.

  • Job 20:24-25
    2 verzen
    71%

    24Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten.

    25Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.

  • 26Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden.

  • 19Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

  • 33

  • 18Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga.

  • 13De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.

  • Job 9:34-35
    2 verzen
    69%

    34Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;

    35Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.

  • 6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.

  • 22Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.

  • Am 2:15-16
    2 verzen
    69%

    15En die den boog handelt, zal niet bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden.

    16En de kloekhartigste onder de helden zal te dien dage naakt heenvlieden, spreekt de HEERE.

  • 23Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?

  • 24Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.

  • 69%

    6Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.

  • 12God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt.

  • Ps 112:7-8
    2 verzen
    68%

    7Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.

    8Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Ain. totdat hij op zijn wederpartijen zie.

  • 25Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.

  • 22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.

  • 24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.

  • 10En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.

  • 1De goddelozen vlieden, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.

  • 43Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd.

  • 16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.

  • 23Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.

  • 11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.

  • 5Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan.

  • 26Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.

  • 23De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.