Spreuken 7:26
Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.
Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
27Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
10En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;
11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
13En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:
26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.
21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.
22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.
3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
4Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
20In het midden der verslagenen van het zwaard zullen zij vallen; zij is aan het zwaard overgegeven; trek haar henen met al haar menigte.
1De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.
2Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.
3Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:
4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
27Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.
28Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen.
7Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht.
8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
25Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in den strijd.
26En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, ledig gemaakt zijnde, op de aarde zitten.
14De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.
14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
10Gij hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeiende vele volken, zo hebt gij gezondigd tegen uw ziel.
10Dezen ontdekten haar schaamte, haar zonen en haar dochteren namen zij weg, maar haar doodden zij met het zwaard; en zij kreeg een naam onder de vrouwen, nadat men gerichten over haar geoefend had.
32O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.
27Hoe zijn de helden gevallen, en de krijgswapenen verloren!
5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
10Nog is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden; en over haar geeerden hebben zij het lot geworpen, en al haar groten zijn in boeien gebonden geworden.
7Zoveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.
16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
27Tussen haar voeten kromde hij zich, viel henen, lag daar neder; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij geheel geschonden!
26Daarom zullen haar jongelingen vallen op haar straten; en al haar krijgslieden zullen te dien dage nedergehouwen worden, spreekt de HEERE der heirscharen.
21Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;
1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
20Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
4Om der grote hoererijen wil der zeer bevallige hoer, der meesteres der toverijen, die met haar hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen.
3Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:
23Welker graven gesteld zijn in de zijden des kuils, en haar hoop is rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die een schrik gaven in het land der levenden.