Klaagliederen 3:27

Statenvertaling (States Bible)

Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Pred 12:1 : 1 En gedenk aan de Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve.
  • Matt 11:29-30 : 29 Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen. 30 Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.
  • Heb 12:5-9 : 5 En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt; 6 Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt. 7 Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?) 8 Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen. 9 Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven? 10 Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden. 11 En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn. 12 Daarom richt weder op de trage handen, en de slappe knieen;
  • Ps 90:12 : 12 Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.
  • Ps 94:12 : 12 Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,
  • Ps 119:71 : 71 Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 82%

    25Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.

    26Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN.

  • 80%

    28Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.

    29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.

  • Pred 11:8-10
    3 verzen
    71%

    8Maar indien de mens veel jaren heeft, en verblijdt zich in die allen, zo laat hem ook gedenken aan de dagen der duisternis, want die zullen veel zijn; en al wat zal gekomen is, is ijdelheid.

    9Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.

    10Zo doe dan de toornigheid wijken van uw hart, en doe het kwade weg van uw vlees, want de jeugd, en de jonkheid is ijdelheid.

  • 17Want het is beter, dat gij, weldoende, (indien het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende.

  • 27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.

  • 25Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.

  • 11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;

  • 10Ik heb gezien de bezigheid, die God den kinderen der mensen gegeven heeft, om zichzelven daarmede te bekommeren.

  • 1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

  • 71Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.

  • Pred 3:12-13
    2 verzen
    69%

    12Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor henlieden is, dan zich te verblijden, en goed te doen in zijn leven.

    13Ja ook, dat ieder mens ete en drinke, en het goede geniete van al zijn arbeid, Dit is een gave Gods.

  • 7Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.

  • 30De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;

  • 17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

  • 14Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds, zie toe; want God maakt ook den een tegenover den ander, ter oorzake dat de mens niet zou vinden iets, dat na hem zal zijn.

  • 1En gedenk aan de Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve.

  • Pred 7:2-3
    2 verzen
    68%

    2Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.

    3Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd.

  • 18Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, dien ontgaat dat al.

  • 29Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid.

  • 30Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.

  • 26Ik houde dan dit goed te zijn, om den aanstaanden nood, dat het, zeg ik, den mens goed is alzo te zijn.

  • 22Dies ik gezien heb, dat er niets beters is, dan dat de mens zich verblijde in zijn werken, want dat is zijn deel; want wie zal hem daarhenen brengen, dat hij ziet, hetgeen na hem geschieden zal?

  • 3Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt.

  • 13Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.

  • 7Gezegend daarentegen is de man, die op den HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is!

  • 21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.

  • 31De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.

  • 18Ook een iegelijk mens, aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, datzelve is een gave van God.

  • 19Want dat is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte.

  • 15Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder cijns.

  • 5Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.

  • 21Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn.

  • 14Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan.

  • 3Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.

  • 8Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.

  • 6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.

  • 4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.

  • 4HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.

  • 13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!

  • 24Is het dan niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van de hand Gods is.

  • 23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.

  • 13Zij hebben de jongelingen weggenomen, om te malen, en de jongens struikelen onder het hout.

  • 1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.

  • 27Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen.