Spreuken 7:2
Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.
Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
3Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
2Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
22Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.
8Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
18Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen;
11Houdt dan de geboden, en de inzettingen, en de rechten, die ik u heden gebiede, om die te doen.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
17Gij zult de geboden des HEEREN, uws Gods, vlijtig houden, mitsgaders Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.
8Ook zult gij ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
10Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
13Om te houden de geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede.
2Ik zeg: Neem acht op de mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods.
3En neem waar de wacht des HEEREN, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult;
9Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en gij zult ze aan uw kinderen en uw kindskinderen bekend maken.
1Daarom zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, en gij zult te allen dage onderhouden Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden.
18Wanneer gij de stem des HEEREN, uws Gods, zult gehoorzaam zijn, om te houden al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, om te doen wat recht is in de ogen des HEEREN, uws Gods.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
2Opdat gij den HEERE, uw God, vrezet, om te houden al Zijn inzettingen, en Zijn geboden, die ik u gebiede; gij, en uw kind, en kindskind, al de dagen uws levens; en opdat uw dagen verlengd worden.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
22Want zo gij naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, den HEERE, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende;
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
6En houdt de geboden des HEEREN, uws Gods, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen.
13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
31Daarom zult gij Mijn geboden houden, en dezelve doen; Ik ben de HEERE!
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
2Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.
16Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.
46Zo zeide hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden, die ik heden onder ulieden betuige, dat gij ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden dezer wet.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
1Alle geboden, die ik u heden gebiede, zult gij waarnemen om te doen, opdat gij leeft, en vermenigvuldigt, en inkomt, en het land erft, dat de HEERE aan uw vaderen gezworen heeft.