Spreuken 6:13
Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren;
Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;
14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.
27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.
30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
10Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.
17Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;
18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;
19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
2De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
4De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.
4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
6Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.
7Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.
6Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
24Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.
19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
19Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?
14Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;
15Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;
8Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.
14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;
15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
12Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
12Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.
5Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.
7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
2Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
7Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.
2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
23De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.
2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
19Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
8Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.