Leviticus 11:22

Statenvertaling (States Bible)

Van die zult gij deze eten: de sprinkhaan naar zijn aard, en de solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Matt 3:4 : 4 En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.
  • Marc 1:6 : 6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.
  • Ex 10:4-5 : 4 Want indien gij weigert Mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen in uw landpale brengen. 5 En zij zullen het gezicht des lands bedekken, alzo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van hetgeen ontkomen is, hetgeen ulieden overgebleven was van den hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat ulieden uit het veld voortkomt.
  • Jes 35:3 : 3 Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieen vast.
  • Rom 14:1 : 1 Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen.
  • Rom 15:1 : 1 Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen.
  • Heb 5:11 : 11 Van Denwelken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen, dewijl gij traag om te horen geworden zijt.
  • Heb 12:12-13 : 12 Daarom richt weder op de trage handen, en de slappe knieen; 13 En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Lev 11:19-21
    3 verzen
    89%

    19En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.

    20Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.

    21Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;

  • Lev 11:23-24
    2 verzen
    83%

    23En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.

    24En aan deze zult gij verontreinigd worden; zo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.

  • Lev 11:41-43
    3 verzen
    78%

    41Voorts alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, zal een verfoeisel zijn; het zal niet gegeten worden.

    42Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijn vier voeten, of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eten, want zij zijn een verfoeisel.

    43Maakt uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden.

  • Lev 11:2-6
    5 verzen
    77%

    2Spreekt tot de kinderen Israels, zeggende: Dit is het gedierte, dat gij eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn.

    3Al wat onder de beesten de klauw verdeelt, en de kloof der klauwen in tweeen klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.

    4Deze nochtans zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de klauwen alleen verdelen: de kemel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn;

    5En het konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; dat zal u onrein zijn;

    6En den haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn.

  • 76%

    19Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.

    20Al het rein gevogelte zult gij eten.

  • Deut 14:6-7
    2 verzen
    75%

    6Alle beesten, die de klauwen verdelen, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult gij eten.

    7Maar deze zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die den gekloofden klauw alleen verdelen: den kemel, en den haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdelen den klauw niet; onrein zullen zij ulieden zijn.

  • Deut 14:9-13
    5 verzen
    75%

    9Dit zult gij eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult gij eten.

    10Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult gij niet eten; het zal ulieden onrein zijn.

    11Allen reinen vogel zult gij eten.

    12Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;

    13En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;

  • Lev 11:46-47
    2 verzen
    73%

    46Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;

    47Om te onderscheiden tussen het onreine en tussen het reine, en tussen het gedierte, dat men eten, en tussen het gedierte, dat men niet eten zal.

  • 22Doch gelijk als een ree en een hert gegeten wordt, alzo zult gij dat eten; de onreine en de reine zullen het te zamen eten.

  • Lev 11:8-14
    7 verzen
    73%

    8Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn.

    9Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeen en in de rivieren, vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten;

    10Maar al wat in de zeeen en in de rivieren, van alle gewemel der wateren, en van alle levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.

    11Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij verfoeien.

    12Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.

    13En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,

    14En de gier, en de kraai, naar haar aard;

  • 73%

    1De Heere HEERE deed mij aldus zien; en ziet, Hij formeerde sprinkhanen, in het begin des opkomens van het nagras; en ziet, het was het nagras, na des konings afmaaiingen.

  • 15Het vuur zal u aldaar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers, vermeerder u als sprinkhanen.

  • Deut 14:3-4
    2 verzen
    71%

    3Gij zult geen gruwel eten.

    4Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult; een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten;

  • 4Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.

  • 42Al uw geboomte, en de vrucht uws lands zal het boos gewormte erfelijk bezitten.

  • 12Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit over Egypteland, om de sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al het kruid des lands opeten, al wat de hagel heeft over gelaten.

  • 46En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.

  • 3Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.

  • 14En de sprinkhanen kwamen op over het ganse Egypteland, en lieten zich neder aan al de palen der Egyptenaren, zeer zwaar; voor dezen zijn dergelijke sprinkhanen, als deze, nooit geweest, en na dezen zullen er zulke niet wezen;

  • Lev 11:30-31
    2 verzen
    69%

    30En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;

    31Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond.

  • 25Alzo zal Ik ulieden de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn groot heir, dat Ik onder u gezonden heb.

  • 10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

  • 4En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.

  • 26Alle beest, dat den klauw verdeelt, doch de klove niet in tweeen klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie hetzelve aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn.

  • 34Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal;