Leviticus 11:19

Statenvertaling (States Bible)

En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Deut 14:11-20
    10 verzen
    96%

    11Allen reinen vogel zult gij eten.

    12Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;

    13En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;

    14En alle rave naar zijn aard;

    15En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;

    16En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,

    17En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;

    18En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;

    19Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.

    20Al het rein gevogelte zult gij eten.

  • Lev 11:12-18
    7 verzen
    85%

    12Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.

    13En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,

    14En de gier, en de kraai, naar haar aard;

    15Elke rave naar haar aard;

    16En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;

    17En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,

    18En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,

  • Lev 11:20-23
    4 verzen
    82%

    20Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.

    21Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;

    22Van die zult gij deze eten: de sprinkhaan naar zijn aard, en de solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.

    23En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.

  • 17Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.

  • Jes 34:14-15
    2 verzen
    72%

    14En de wilde dieren der woestijnen zullen de wilde dieren der eilanden daar ontmoeten, en de duivel zal zijn metgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich aldaar nederzetten, en het zal een rustplaats voor zich vinden.

    15Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkaar verzameld worden.

  • 10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

  • Job 39:13-14
    2 verzen
    70%

    13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

    14Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?

  • 17De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt;

  • 7Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des HEEREN niet.

  • 11Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer der woestigheid over hen trekken, en een richtlood der ledigheid.

  • 6Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt, in enigen boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zo zult gij de moeder met de jongen niet nemen.

  • 20En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!

  • Lev 11:29-30
    2 verzen
    67%

    29Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haar aard;

    30En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;

  • 11Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;

  • Job 39:26-27
    2 verzen
    66%

    26Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.

    27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.

  • 46Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;

  • 66%

    8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

  • 11En het wild gevogelte kwam neder op het aas; maar Abram joeg het weg.

  • 14Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.

  • 9Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogelen zijn rondom tegen haar; komt aan, verzamelt, al gij gedierte des velds, komt om te eten!

  • 12Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.

  • 26En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte des hemels, en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken.