Lukas 17:32
Gedenkt aan de vrouw van Lot.
Gedenkt aan de vrouw van Lot.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
28Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden;
29Maar op den dag, op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en verdierf ze allen.
30Even alzo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.
31In dienzelven dag, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af, om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die kere desgelijks niet naar hetgeen, dat achter is.
33Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelve zal verliezen, die zal het in het leven behouden.
14Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de HEERE gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende.
15En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt.
16Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.
17En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.
18En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere!
26En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.
28En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.
29En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.
30En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters.
15En die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis weg te nemen.
16En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn kleed te nemen.
17Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen!
16Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen;
17Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen;
18En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen.
12Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit deze plaats;
32O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.
17Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;
18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
11Wacht u, dat gij den HEERE, uw God, niet vergeet, dat gij niet zoudt houden Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede;
8Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
17Maar geliefden, gedenkt gij der woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus;
6Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;
7En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad!
36Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde.
37En hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik allen: Waakt.
12Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
12Zo wacht u, dat gij den HEERE niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd.
42Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.
7En den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den ontuchtigen wandel der gruwelijken mensen, daaruit verlost heeft;
35Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
27Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
14Gij zult niet echtbreken.
25Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.
26En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen.
1Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan.