Psalmen 103:12
Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.
Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
9Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.
10Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
11Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen.
13Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.
14Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.
18Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid.
19Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.
17En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken.
18Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde.
12Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken.
16Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.
17Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;
18Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen.
22Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost.
25Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.
9Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
3Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest;
4Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
2Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.
7De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
8Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.
1Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
3Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.
12Want onze overtredingen zijn vele voor U, en onze zonden getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij;
3En die Hij uit de landen verzameld heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.
9Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
77Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden.
8Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.
17Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
2Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.
3De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.
8En Hij zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden.
42Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard.
7Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!
3Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?
18Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.
8Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.
27Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.
8En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, met dewelke zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hun ongerechtigheden, met dewelke zij tegen Mij gezondigd en met dewelke zij tegen Mij overtreden hebben.
4Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.
10Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natien.
32Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden.
6Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.
4Ik zal U loven onder de volken, o HEERE! en ik zal U psalmzingen onder de natien.
8Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?
6Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
20En de HEERE zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord.