Psalmen 12:4

Statenvertaling (States Bible)

De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jak 3:5-6 : 5 Alzo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt. 6 De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.
  • Gen 3:5 : 5 Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.
  • Ex 5:2 : 2 Maar Farao zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israel niet laten trekken.
  • Job 21:14-15 : 14 Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust. 15 Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?
  • Jer 2:31 : 31 O geslacht, aanmerkt toch gijlieden des HEEREN woord! Ben Ik Israel een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?
  • Jer 18:18 : 18 Toen zeiden zij: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken; want de wet zal niet vergaan van den priester, noch de raad van den wijze, noch het woord van den profeet; komt aan, en laat ons hem slaan met de tong, en laat ons niet luisteren naar enige zijner woorden!
  • Dan 3:15 : 15 Nu dan, zo gijlieden gereed zijt, dat gij ten tijde, als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soort der muziek, nedervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo is het wel; maar zo gijlieden het niet aanbidt; ter zelfder ure zult gijlieden geworpen worden in het midden van den oven des brandenden vuurs; en wie is de God, Die ulieden uit mijn handen verlossen zou?
  • 2 Thess 2:4 : 4 Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geeerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 12:2-3
    2 verzen
    81%

    2Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

    3Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.

  • 12Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!

  • 7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.

  • Ps 73:8-9
    2 verzen
    72%

    8Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.

    9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.

  • Ps 2:2-4
    3 verzen
    72%

    2De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:

    3Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.

    4Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.

  • 8Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.

  • 4Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?

  • Ps 17:10-11
    2 verzen
    71%

    10Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.

    11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.

  • 18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.

  • 5Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?

  • 46Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.

  • 9Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.

  • 13Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de HEERE; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?

  • 12Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeeb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna;

  • 25Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!

  • 4Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.

  • 13HEERE, onze God! andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uws Naams.

  • Ps 124:5-6
    2 verzen
    69%

    5Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.

    6De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.

  • 13Gij, die blijde zijt over een nietig ding; gij, die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen?

  • 25Die door den mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?

  • 68%

    9HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.

  • 4Over wien maakt gij u lustig, over wien spert gij den mond wijd open en steekt de tong lang uit? Zijt gij niet kinderen der overtreding, een zaad der valsheid?

  • Ps 120:2-3
    2 verzen
    68%

    2O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.

    3Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?

  • 3Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.

  • 62Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.

  • Job 15:5-6
    2 verzen
    68%

    5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.

    6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.

  • 13Het overtreden en het liegen tegen den HEERE, en het achterwaarts wijken van onzen God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart.

  • 8Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.

  • 7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.

  • 2Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.

  • 12Zij verloochenen den HEERE, en zeggen: Hij is het niet, en ons zal geen kwaad overkomen, wij zullen noch zwaard noch honger zien.

  • 3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.

  • 16Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.

  • 4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?

  • 20Resch. De adem onzer neuzen, de gezalfde des HEEREN, is gevangen in hun groeven; van welken wij zeiden: Wij zullen onder zijn schaduw leven onder de heidenen!

  • 3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.

  • 11Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken;

  • 15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.

  • 37Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?

  • Rom 3:13-14
    2 verzen
    67%

    13Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.

    14Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;

  • 10Dat zullen zij hebben in plaats van hun hoogmoed; want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van den HEERE der heirscharen.