Psalmen 124:6
De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.
De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.
8Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
1Een lied Hammaaloth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel,
2Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;
3Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.
4Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.
5Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.
25Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!
6Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
9Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.
47Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.
6Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.
7Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.
18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
35En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heiligen Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.
7Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.
2Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.
3De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.
18Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!
17Om de stem des honers en des lasteraars, vanwege den vijand en den wraakgierige.
18Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.
19Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.
19Koph. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden des hemels; zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd.
29Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gij zijt nu de gezegende des HEEREN!
8Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.
20Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.
4Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.
23Maar David zeide: Alzo zult gij niet doen, mijn broeders, met hetgeen ons de HEERE gegeven heeft, en Hij heeft ons bewaard, en heeft de bende, die tegen ons kwam, in onze hand gegeven.
11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.
8Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.
12Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.
2HEERE, wees ons genadig, wij hebben op U gewacht; wees hun arm allen morgen, daartoe onze behoudenis ten tijde der benauwdheid.
20Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.
46Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.
8Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend;
22Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;
2Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige; de HEERE zal hem bevrijden ten dage des kwaads.
1Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.
13Zingt den HEERE, prijst den HEERE; want Hij heeft de ziel des nooddruftigen uit de hand der boosdoeners verlost.
11Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.
5Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij woede, men laat ons geen rust.
15Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk, wiens God de HEERE is.
15O HEERE, God van Israel! Gij zijt rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te dezen dage. Zie, wij zijn voor Uw aangezicht in onze schuld; want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan, om zulks.
5De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.
13Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
24Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israel den rovers? Is het niet de HEERE, Hij, tegen Wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.
16Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.
14O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.
1Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis.