Psalmen 136:10

Statenvertaling (States Bible)

Dien, Die de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ex 12:29 : 29 En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten.
  • Ps 78:51 : 51 En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.
  • Ps 135:8 : 8 Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mens af tot het vee toe.
  • Heb 11:28 : 28 Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging des bloeds, opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou.
  • Ps 105:36 : 36 Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hunner krachten.
  • Ex 11:5-6 : 5 En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot den eerstgeborene der dienstmaagd, die achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee. 6 En er zal een groot geschrei zijn in het ganse Egypteland, desgelijks nooit geweest is, en desgelijks niet meer wezen zal.
  • Ex 12:12 : 12 Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan alle goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE!

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 136:11-26
    16 verzen
    88%

    11En heeft Israel uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    12Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    13Dien, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    14En voerde Israel door het midden van dezelve; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    15Hij heeft Farao met zijn heir gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    16Die Zijn volk door de woestijn geleid heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    17Die grote koningen geslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    18En heeft heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    19Sihon, de Amorietischen koning; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    20En Og, den koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    21En heeft hun land ten erve gegeven; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    22Ten erve aan Zijn knecht Israel; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    23Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    24En Hij heeft ons onzen tegenpartijders ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    25Die allen vlees spijs geeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    26Looft den God des hemels; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  • Ps 136:1-9
    9 verzen
    84%

    1Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid;

    2Looft den God der goden; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    3Looft den Heere der heren; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    4Dien, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    5Dien, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    6Dien, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    7Dien, Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    8De zon tot heerschappij op den dag; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    9De maan en sterren tot heerschappij in den nacht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  • Ps 118:1-4
    4 verzen
    78%

    1Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    2Dat Israel nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.

    3Het huis van Aaron zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.

    4Dat degenen, die den HEERE vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.

  • Ps 135:8-10
    3 verzen
    78%

    8Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mens af tot het vee toe.

    9Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Farao en tegen al zijn knechten.

    10Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde;

  • 1Hallelujah! Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  • 29Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  • 1Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  • 34Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

  • 2Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!

  • 17Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;

  • 8Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid, des woords, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten;

  • 29En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten.

  • 5Want de HEERE is goed; Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, en Zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht.

  • 18De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren!

  • 3Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Farao, den koning van Egypte, en aan zijn ganse land;

  • 4Als de Egyptenaars begroeven degenen, welke de HEERE onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE gerichten geoefend aan hun goden.

  • 13Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid.

  • 36Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hunner krachten.

  • 50En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.

  • 50Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen; [ (Psalms 18:51) Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid. ]

  • 15Want het geschiedde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde de HEERE alle eerstgeborenen in Egypteland, van des mensen eerstgeborene af, tot den eerstgeborene der beesten; daarom offer ik den HEERE de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; doch alle eerstgeborenen mijner zonen los ik.

  • 12Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan alle goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE!