Psalmen 136:8
De zon tot heerschappij op den dag; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
De zon tot heerschappij op den dag; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9De maan en sterren tot heerschappij in den nacht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
10Dien, Die de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
11En heeft Israel uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
12Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
13Dien, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
14En voerde Israel door het midden van dezelve; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
15Hij heeft Farao met zijn heir gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
16Die Zijn volk door de woestijn geleid heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
17Die grote koningen geslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
18En heeft heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
19Sihon, de Amorietischen koning; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
20En Og, den koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
21En heeft hun land ten erve gegeven; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
22Ten erve aan Zijn knecht Israel; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
23Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
24En Hij heeft ons onzen tegenpartijders ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
25Die allen vlees spijs geeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
26Looft den God des hemels; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
1Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid;
2Looft den God der goden; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
3Looft den Heere der heren; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
4Dien, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
5Dien, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
6Dien, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
7Dien, Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
1Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
2Dat Israel nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
16De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; Gij hebt het licht en de zon bereid.
4Dat degenen, die den HEERE vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
29Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
35Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam:
16God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.
17En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.
18En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.
34Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
2Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!
1Hallelujah! Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
1Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
19Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.
36Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!
37Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon.
14En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!
2Ik zal de goedertierenheid des HEEREN eeuwiglijk zingen; ik zal Uw waarheid met mijn mond bekend maken, van geslacht tot geslacht.
6Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; Die trouwe houdt in der eeuwigheid.
6De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
31De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.
4Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.
17Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;
3He. Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in der eeuwigheid.
28Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde.