Psalmen 21:7

Statenvertaling (States Bible)

Want Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid; Gij vervrolijkt hem door vreugde met Uw aangezicht.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 16:8 : 8 Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.
  • Ps 18:2 : 2 Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!
  • Ps 20:7-8 : 7 Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden. 8 Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.
  • Ps 26:1 : 1 Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.
  • Ps 61:4 : 4 Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand.
  • Ps 61:6-7 : 6 Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen. 7 Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht;
  • Ps 91:2 : 2 Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!
  • Ps 91:9-9 : 9 Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! De Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek; 10 U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.
  • Dan 7:14 : 14 En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natien en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.
  • Matt 27:43 : 43 Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.
  • Heb 2:13 : 13 En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.
  • Deut 32:8-9 : 8 Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israels. 9 Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve.
  • 1 Sam 30:6 : 6 En David werd zeer bang, want het volk sprak van hem te stenigen; want de zielen van het ganse volk waren verbitterd, een iegelijk over zijn zonen en over zijn dochteren; doch David sterkte zich in den HEERE, zijn God.
  • Ps 9:2 : 2 Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.
  • Ps 13:5 : 5 Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 112:6-8
    3 verzen
    75%

    6Caph. Zekerlijk, hij zal in der eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn.

    7Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.

    8Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Ain. totdat hij op zijn wederpartijen zie.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  • 28Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.

  • 1Een lied Hammaaloth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.

  • 22Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden.

  • 6Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd.

  • 4En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.

  • 7Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.

  • 6Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.

  • 21Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.

  • Ps 118:8-9
    2 verzen
    73%

    8Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.

    9Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.

  • 6Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.

  • 7Gezegend daarentegen is de man, die op den HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is!

  • Jes 26:3-4
    2 verzen
    72%

    3Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.

    4Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid; want in den Heere HEERE is een eeuwige rotssteen.

  • 1De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.

  • 7Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht;

  • 7De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.

  • 7Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden.

  • 31Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.

  • 24Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand.

  • 1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.

  • 12Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen. [ (Psalms 84:13) HEERE der heirscharen! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt. ]

  • 8Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.

  • 3Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.

  • 1Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.

  • 30Schrikt voor Zijn aangezicht, gij, gehele aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen worde.

  • 2Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.

  • 14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.

  • 14Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.

  • 6Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting.

  • 7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.

  • 51Hij is een Toren der verlossingen Zijns konings, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid.

  • 11In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.

  • 3Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.

  • 5Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.

  • 30Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.

  • 26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.

  • 18Want Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden.

  • 7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.

  • 19De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.

  • 9Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! De Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek;

  • 27Geloofd zij de HEERE, de God onzer vaderen, Die alzulks in het hart des konings gegeven heeft, om te versieren het huis des HEEREN, dat te Jeruzalem is.

  • 8Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:

  • 23Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.

  • 1Op U, o HEERE! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.

  • 70%

    7O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan.