1 Kronieken 1:44
En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.
En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen Israels.
32Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam zijner stad was Dinhaba.
33En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.
34En Jobab stierf, en Husam, uit der Temanieten land, regeerde in zijn plaats.
35En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg in het veld van Moab; en de naam zijner stad was Avith.
36En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.
37En Samla stierf, en Saul van Rehoboth, aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
42De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaakan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.
43Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israels: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijner stad was Dinhaba.
45En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats.
46En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en den naam zijner stad was Avith.
47En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.
48En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
49En Saul stierf, en Baal-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
50Als Baal-Hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van Matred, dochter van Mee-Sahab.
51Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth,
52De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon,
53De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar,
54De vorst Magdiel, de vorst Iram. Dezen waren de vorsten van Edom.
8En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joel, die woonde te Aroer, en tot aan Nebo, en Baal-Meon,
3Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud,
47Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren.
8In zijn dagen vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich een koning.
20In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich.
2Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar.
1En Moab viel van Israel af, na Achabs dood.
5Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, dat de koning der Moabieten van den koning van Israel afviel.
23En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.
22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.
1Benjamin nu gewon Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, den tweede, en Ahrah, den derde,
24En Hazael, de koning van Syrie, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats.