1 Kronieken 1:45
En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats.
En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen Israels.
32Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam zijner stad was Dinhaba.
33En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.
34En Jobab stierf, en Husam, uit der Temanieten land, regeerde in zijn plaats.
35En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg in het veld van Moab; en de naam zijner stad was Avith.
36En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.
37En Samla stierf, en Saul van Rehoboth, aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
43Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israels: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijner stad was Dinhaba.
44En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.
46En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en den naam zijner stad was Avith.
47En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.
48En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
49En Saul stierf, en Baal-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
50Als Baal-Hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van Matred, dochter van Mee-Sahab.
51Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth,
52De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon,
53De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar,
23En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.
9En uit Hodes, zijn huisvrouw, gewon hij Joab, en Zibja, en Mesa, en Malcham,
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
30Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema,
36De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek.
1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
15Dit zijn de vorsten der zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz.
24En Hazael, de koning van Syrie, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats.
11En uit Husim gewon hij Abitub en Elpaal.
39En Baal-Hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; en de naam zijner stad was Pahu; en de naam zijner huisvrouw was Mechetabeel, een dochter van Matred, de dochter van Mezahab.
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
5Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, dat de koning der Moabieten van den koning van Israel afviel.
29En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.
11En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.
22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.
42De vorst Kenaz, de vorst Teman, de vorst Mibzar,
6En Jojakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats.
20En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,