1 Kronieken 1:20
En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,
En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.
25En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan.
26En Joktan gewon Almodad, en selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,
27En Hadoram, en Usal, en Dikla,
28En Obal, en Abimael, en Scheba,
29En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.
30En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten.
21En Hadoram, en Uzal, en Dikla,
22En Ebal, en Abimael, en Scheba,
23En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.
24Sem, Arfachsad, Selah,
25Heber, Peleg, Rehu,
26Serug, Nahor, Terah,
16En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.
17De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
18Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.
19Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam des enen was Peleg, omdat in zijn dagen het aardrijk verdeeld is, en de naam zijns broeders was Joktan.
1Adam, Seth, Enos,
2Kenan, Mahalal-el, Jered,
3Henoch, Methusalah, Lamech,
4Noach, Sem, Cham en Jafeth.
5De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
21Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste.
22Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
1Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.
2De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
31Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismael.
32De kinderen nu van Ketura, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.
18En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechujael; en Mechujael gewon Methusael; en Methusael gewon Lamech.
37Den zoon van Mathusala, den zoon van Enoch, den zoon van Jared, den zoon van Malaleel, den zoon van Kainan,
7En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten.
8De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaan.
9En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de kinderen van Raema waren Scheba en Dedan.
10Cusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.
10En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.
3En Joksan gewon Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten.
20En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.
35En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.
7En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.
2Abraham gewon Izak, en Izak gewon Jakob, en Jakob gewon Juda, en zijn broeders;
27En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot.
13Kanaan nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
40De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.