1 Kronieken 2:50

Statenvertaling (States Bible)

Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jearim;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Joz 15:9 : 9 Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte des bergs tot aan de waterfontein Nefthoah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze landpale strekken naar Baala; deze is Kirjath-Jearim.
  • Joz 15:60 : 60 Kirjath-Baal, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.
  • 1 Sam 7:1 : 1 Toen kwamen de mannen van Kirjath-Jearim, en haalden de ark des HEEREN op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op den heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark des HEEREN bewaarde.
  • 1 Kron 2:19-20 : 19 Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur. 20 En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleel.
  • 1 Kron 2:53 : 53 En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.
  • 1 Kron 4:4 : 4 En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.
  • 1 Kron 13:5-6 : 5 David dan vergaderde gans Israel van het Egyptische Sichor af, tot daar men komt te Hamath, om de ark Gods te brengen van Kirjath-Jearim. 6 Toen toog David op met het ganse Israel naar Baala, dat is, Kirjath-Jearim, hetwelk in Juda is, dat hij van daar ophaalde de ark Gods, des HEEREN, Die tussen de cherubim woont, waar de Naam wordt aangeroepen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 80%

    51Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.

    52De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.

    53En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.

  • 79%

    18Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.

    19Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.

    20En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleel.

  • 4En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.

  • 1 Kron 4:1-2
    2 verzen
    75%

    1De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.

    2En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;

  • 75%

    42De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.

    43De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.

  • 75%

    45De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.

    46En Efa, het bijwijf van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.

    47De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saaf.

    48Uit het bijwijf Maacha gewon Kaleb: Seber en Tirhana.

    49En de huisvrouw van Saaf, den vader van Madmanna, baarde Seva, den vader van Machbena, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.

  • 8En dit zijn hun namen: de zoon van Hur was in het gebergte van Efraim.

  • 70%

    10En Juda was heengetogen tegen de Kanaanieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai.

    11En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer.

    12En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en haar innemen, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.

    13Toen nam Othniel haar in, de zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.

  • 6Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.

  • Joz 15:13-17
    5 verzen
    69%

    13Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des HEEREN tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.

    14En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak.

    15En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).

    16En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.

    17Othniel nu, de zoon van Kenaz, den broeder van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.

  • 69%

    13En de kinderen van Kenaz waren Othniel en Seraja; en de kinderen van Othniel, Hathath.

    14En Meonothai gewon Ofra; en Seraja gewon Joab, den vader des dals der werkmeesters; want zij waren werkmeesters.

    15De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naam; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.

  • 1 Kron 8:5-6
    2 verzen
    68%

    5En Gera, en Sefufan, en Huram.

    6Dezen nu zijn de kinderen van Ehud; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manahath;

  • 68%

    40De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.

    41De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.

  • 31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.

  • 23En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam.

  • 12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.

  • 19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;

  • 9En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.

  • 11En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.

  • 51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;

  • 55En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.

  • 11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.

  • 14Dezen zijn de kinderen van Abihail, den zoon van Huri, den zoon van Jaroah, den zoon van Gilead, den zoon van Michael, den zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.

  • 14Daarom werd Hebron aan Kaleb, den zoon van Jefunne, den Keneziet, ten erfdeel tot op dezen dag; omdat hij volhard had den HEERE, den God Israels, na te volgen.

  • 8En Koz gewon Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.

  • 35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;

  • 24En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekoa.

  • 36En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.

  • 19En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Maachathiet.