1 Kronieken 2:51
Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.
Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
52De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.
53En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.
54De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft der Manathieten, en de Zorieten.
55En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.
49En de huisvrouw van Saaf, den vader van Madmanna, baarde Seva, den vader van Machbena, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.
50Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jearim;
4En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.
40En Elasa gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,
41En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.
42De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.
43De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.
44Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.
45De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.
46En Efa, het bijwijf van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.
47De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saaf.
11En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz.
12En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isai,
51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
52De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
20Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;
35Den zoon van Saruch, den zoon van Ragau, den zoon van Falek, den zoon van Heber, den zoon van Sala,
14En Meonothai gewon Ofra; en Seraja gewon Joab, den vader des dals der werkmeesters; want zij waren werkmeesters.
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.
51En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiel.
18Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.
19En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Maachathiet.
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
37En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,
53De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
20En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleel.
25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;
32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;
33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.
45Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.
7En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joed, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maaseja, den zoon van Ithiel, den zoon van Jesaja;
28Dezen waren de hoofden der vaderen, hoofden naar hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.
11En uit Husim gewon hij Abitub en Elpaal.
7En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Hodavja, den zoon van Hassenua;
24En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.
5De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
39Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
5En Gera, en Sefufan, en Huram.
48De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;