2 Samuël 23:25

Statenvertaling (States Bible)

Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Richt 7:1 : 1 Toen stond Jerubbaal (dewelke is Gideon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein van Harod; dat hij het heirleger der Midianieten had tegen het noorden, achter den heuvel More, in het dal.
  • 1 Kron 11:27-28 : 27 Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet; 28 Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 85%

    26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;

    27Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;

    28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;

    29Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;

    30Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;

    31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;

    32Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;

    33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;

    34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;

    35Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;

  • 83%

    26De helden nu der heiren waren: Asahel, de broeder van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;

    27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;

  • 76%

    32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;

    33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;

    34Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;

    35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;

  • 5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;

  • 16En Elischama, en Eljade, en Elifeleth.

  • 24Asahel, Joabs broeder, was onder de dertig; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;

  • 20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,

  • 46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;

  • 44Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;

  • 15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;

  • 71%

    31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,

    32Benjamin, Malluch, Semarja.

    33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.

  • 22En Jispan, en Eber, en Eliel,

  • 71%

    37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

    38Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;

  • 11Na hem nu was Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en aldaar een stuk akkers was vol linzen, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vluchtte;

  • 9De kinderen van Simei waren Selomith, en Haziel, en Haran, drie; dezen waren de hoofden der vaderen van Ladan.

  • 7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.

  • 6Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,

  • 7En Elisama, en Beeljada, en Elifelet.

  • 41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;

  • 32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.

  • 26En Samserai, en Seharja, en Athalja,

  • 23En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.

  • 5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,

  • 18Simei, de zoon van Ela, in Benjamin.

  • 70%

    40Machnadbai, Sasai, Sarai,

    41Azareel, Selemja, Semarja,

  • 29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;

  • 39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

  • 49Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.

  • 5Harim, Meremoth, Obadja,

  • 20Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;

  • 24Hallohes, Pilha, Sobek,

  • 8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.

  • 27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.