1 Kronieken 11:44
Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;
Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
45Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broeder, de Tiziet;
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
47Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;
29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
13En van de kinderen van Elizafan, Simri en Jeiel; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;
14En van de kinderen van Heman, Jehiel en Simei; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziel.
43Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat, de Mithniet;
41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
35En Joel, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Saraja, den zoon van Asiel,
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;
26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
27Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;
21En van de kinderen van Harim: Maaseja, en Elia, en Semaja, en Jehiel, en Uzia,
33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
34Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
17Ater, Hizkia, Azzur,
19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;
24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.
3En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en Joel, en Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden.
37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
3Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
44Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.
24Van de kinderen van Uzziel was Micha; van de kinderen van Micha was Samir;
26En Samserai, en Seharja, en Athalja,
27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.
39En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanniel, en Rizja.
22Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath.
8De kinderen van Ethan nu waren Azaria.
11Micha, Rehob, Hasabja,
4Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziel, Sebuel, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth.
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
34En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.
23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;
41Azareel, Selemja, Semarja,