1 Kronieken 11:37
Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;
35Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;
36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;
37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
38Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;
38Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;
39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
40Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;
41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;
33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
34Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
36Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;
29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
30Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
27Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;
28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;
29Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;
17Ater, Hizkia, Azzur,
8De kinderen van Ethan nu waren Azaria.
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;
6Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.
23En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
39En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
47Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.
31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;
44Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;
20Magpias, Mesullam, Hezir,
5Harim, Meremoth, Obadja,
11Micha, Rehob, Hasabja,
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
6En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.
36En zijn broeders, Semaja, en Azareel, Milalai, Gilalai, Maai, Nethaneel, en Juda, Hanani, met muziekinstrumenten van David, den man Gods; en Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hun aangezicht heen.
27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
31En Gedor, en Ahio, en Zecher.
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
2Amarja, Malluch, Hattus,