1 Kronieken 2:39
En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,
En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
37En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,
38En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,
40En Elasa gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,
41En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.
8En Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Ozias;
9En Ozias gewon Joatham, en Joatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekias;
10En Ezekias gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josias;
11En Josias gewon Jechonias, en zijn broeders, omtrent de Babylonische overvoering.
12En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias Salathiel, en Salathiel gewon Zorobabel;
13En Zorobabel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor;
14En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Eliud;
11En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub;
12En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Sallum;
13En Sallum gewon Hilkia, en Hilkia gewon Azarja;
14En Azarja gewon Seraja, en Seraja gewon Jozadak;
36En Achaz gewon Jehoadda, en Jehoadda gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza;
37En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elasa; zijn zoon was Azel.
38Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.
42En Achaz gewon Jaera, en Jaera gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; en Zimri gewon Moza;
43En Moza gewon Bina; wiens zoon was Refaja; wiens zoon was Elasa; wiens zoon was Azel.
44Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.
8En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimaaz;
9En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan;
8De kinderen van Ethan nu waren Azaria.
9En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.
11Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas;
12Zijn zoon was Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham;
13Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkia; zijn zoon was Manasse;
4En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisua;
5En Abisua gewon Bukki, en Bukki gewon Uzzi;
6En Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth;
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
17Ater, Hizkia, Azzur,
36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
12En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isai,
10Jesua nu gewon Jojakim, en Jojakim gewon Eljasib, en Eljasib gewon Jojada,
37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
23En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
35En Joel, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Saraja, den zoon van Asiel,
18Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.
5En Maaseja, de zoon van Baruch, den zoon van Kol-hose, den zoon van Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zacharja, den zoon van Siloni.
7En Naaman, en Ahia, en Gera; dezen voerde hij weg; en hij gewon Uzza en Ahihud.
1Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzie: Ezra, de zoon van Seraja, den zoon van Azarja, den zoon van Hilkia,
18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
5De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
24En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekoa.
18Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez gewon Hezron;