1 Kronieken 8:7

Statenvertaling (States Bible)

En Naaman, en Ahia, en Gera; dezen voerde hij weg; en hij gewon Uzza en Ahihud.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 1 Kron 8:3-6
    4 verzen
    82%

    3Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud,

    4En Abisua, en Naaman, en Ahoah,

    5En Gera, en Sefufan, en Huram.

    6Dezen nu zijn de kinderen van Ehud; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manahath;

  • 75%

    30En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Nadab,

    31En Gedor, en Ahio, en Zecher.

  • 75%

    8En Saharaim gewon kinderen in het land van Moab (nadat hij dezelve weggezonden had) uit Husim en Baara, zijn vrouwen;

    9En uit Hodes, zijn huisvrouw, gewon hij Joab, en Zibja, en Mesa, en Malcham,

    10En Jeuz, en Sochja, en Mirma; dezen zijn zijne zonen, hoofden der vaderen.

    11En uit Husim gewon hij Abitub en Elpaal.

  • 72%

    35De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaarea, en Achaz.

    36En Achaz gewon Jehoadda, en Jehoadda gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza;

    37En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elasa; zijn zoon was Azel.

    38Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.

  • 51De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;

  • 1 Kron 4:6-8
    3 verzen
    72%

    6En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.

    7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.

    8En Koz gewon Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.

  • 71%

    14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,

    15En Zebadja, en Arad, en Eder,

  • 71%

    37En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,

    38En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,

    39En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,

  • 70%

    42En Achaz gewon Jaera, en Jaera gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; en Zimri gewon Moza;

    43En Moza gewon Bina; wiens zoon was Refaja; wiens zoon was Elasa; wiens zoon was Azel.

  • Matt 1:8-9
    2 verzen
    70%

    8En Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Ozias;

    9En Ozias gewon Joatham, en Joatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekias;

  • 1 Kron 6:5-6
    2 verzen
    70%

    5En Abisua gewon Bukki, en Bukki gewon Uzzi;

    6En Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth;

  • 51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;

  • 49De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;

  • 17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,

  • 1 Kron 6:8-9
    2 verzen
    69%

    8En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimaaz;

    9En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan;

  • 24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.

  • 35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;

  • 10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.

  • 8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;

  • 7En zij voerden de ark Gods op een nieuwen wagen uit het huis van Abinadab. Uza nu en Ahio leidden den wagen.

  • 4Uthai, de zoon van Ammihud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van de kinderen van Perez, den zoon van Juda.

  • 69%

    36En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Ner, en Nadab.

    37En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.

  • 21En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen.

  • 27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.

  • 29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;

  • 41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;

  • 49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;

  • 33Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaal.

  • 12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.

  • 22En Jispan, en Eber, en Eliel,