1 Kronieken 2:8

Statenvertaling (States Bible)

De kinderen van Ethan nu waren Azaria.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 77%

    41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,

    42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,

    43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.

    44Hunne broeders nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linker zijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch,

    45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,

  • 6En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.

  • 27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.

  • 75%

    38En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,

    39En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,

  • 74%

    37En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elasa; zijn zoon was Azel.

    38Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.

  • 23En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie.

  • Ezra 7:1-3
    3 verzen
    73%

    1Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzie: Ezra, de zoon van Seraja, den zoon van Azarja, den zoon van Hilkia,

    2Den zoon van Sallum, den zoon van Zadok, den zoon van Ahitub,

    3Den zoon van Amarja, den zoon van Azarja, den zoon van Merajoth,

  • 73%

    36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,

    37Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,

    38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.

  • 7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.

  • 17Ater, Hizkia, Azzur,

  • 44Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.

  • 6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.

  • 18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;

  • 20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,

  • 11En Azarja, de zoon van Hilkija, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merajoth, den zoon van Ahitub, overste van het huis Gods;

  • 13En van de kinderen van Elizafan, Simri en Jeiel; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;

  • 27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.

  • 71%

    21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.

    22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;

    23Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir;

  • 2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.

  • 17Zo stelden dan de Levieten Heman, den zoon van Joel, en uit zijn broederen Asaf, den zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broederen, Ethan, den zoon van Kusaja;

  • 19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.

  • 71%

    13En Sallum gewon Hilkia, en Hilkia gewon Azarja;

    14En Azarja gewon Seraja, en Seraja gewon Jozadak;

  • 15En Zebadja, en Arad, en Eder,

  • 51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;

  • 9En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan;

  • 30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.

  • 9En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.

  • 17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;

  • 18Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.

  • 11En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub;

  • 12Zijn zoon was Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham;

  • 4Van de kinderen van Pahath-Moab, Eljehoenai, van de zoon van Zerahja; en met hem tweehonderd manspersonen.

  • 18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.

  • 12En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchia;

  • 8En Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Ozias;

  • 53Zadok zijn zoon; Ahimaaz zijn zoon.