1 Kronieken 8:15
En Zebadja, en Arad, en Eder,
En Zebadja, en Arad, en Eder,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16En Michael, en Jispa, en Joha waren kinderen van Beria.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
18En Jismerai, en Jizlia en Jobab, de kinderen van Elpaal.
19En Jakim, en Zichri, en Zabdi,
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
21En Adaja, en Beraja, en Simrath waren kinderen van Simei.
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
23En Abdon, en Zichri, en Hanan,
24En Hananja, en Elam, en Antothija,
25En Jifdeja, en Pnuel waren zonen van Sasak.
26En Samserai, en Seharja, en Athalja,
27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.
30En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Nadab,
31En Gedor, en Ahio, en Zecher.
14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,
16Adonia, Bigvai, Adin,
17Ater, Hizkia, Azzur,
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
3Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud,
4En Abisua, en Naaman, en Ahoah,
37En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.
8En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michael; en met hem tachtig manspersonen.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
38Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.
19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
6Semaja, en Jojarib, Jedaja,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
22En Kina, en Dimona, en Adada,
6En van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jonathan; en met hem vijftig manspersonen.
5Harim, Meremoth, Obadja,
8En Poratha, en Adalia, en Aridatha,
15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;
9Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;
15En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;
18Dezes zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja.
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
41Azareel, Selemja, Semarja,
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;
44Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.
8En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joel, die woonde te Aroer, en tot aan Nebo, en Baal-Meon,