1 Kronieken 4:36
En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
35En Joel, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Saraja, den zoon van Asiel,
25En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
19En Jakim, en Zichri, en Zabdi,
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
43Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.
34Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jeremia;
35Benaja, Bedeja, Cheluhu,
36Vanja, Meremoth, Eljasib,
37Mattanja, Mathnai, en Jaasai,
38En Bani, en Binnui, Simei,
39En Selemja, en Nathan, en Adaja,
6Semaja, en Jojarib, Jedaja,
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
29En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub en Seal, Jeramoth.
30En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Bezaleel, en Binnui, en Manasse.
12En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiel, den zoon van Jahzera, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon van Immer.
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
47Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.
22En van de kinderen van Pashur: Eljoenai, Maaseja, Ismael, Nethaneel, Jozabad en Elasa.
23En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.
7Mesullam, Abia, Mijamin,
20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
18En met hen hun broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben en Jaaziel, en Semiramoth, en Jehiel, en Unni, Eliab, en Benaja, en Maaseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiel, de poortiers.
36En zijn broeders, Semaja, en Azareel, Milalai, Gilalai, Maai, Nethaneel, en Juda, Hanani, met muziekinstrumenten van David, den man Gods; en Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hun aangezicht heen.
32Benjamin, Malluch, Semarja.
13Maar Jehiel, en Azazja, en Nahath, en Asahel, en Jerimoth, en Jozabad, en Eliel, en Jismachja, en Mahath, en Benaja, waren opzieners, onder de hand van Chonanja en Simei, zijn broeder; door het bevel van den koning Jehizkia en van Azaria, den overste van het huis Gods.
13En van de kinderen van Elizafan, Simri en Jeiel; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;
18Dezes zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja.
24En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.
16Adonia, Bigvai, Adin,
24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.
27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.
21Mesezabeel, Zadok, Jaddua,
9En de Levieten, namelijk: Jesua, zoon van Azanja, Binnui; van de zonen van Henadad, Kadmiel;
5Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen.
36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
41Azareel, Selemja, Semarja,
7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
24En Hananja, en Elam, en Antothija,