1 Kronieken 3:24
En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.
En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.
21De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja.
22De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes.
23En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie.
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
23En Abdon, en Zichri, en Hanan,
24En Hananja, en Elam, en Antothija,
25En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
28En van de kinderen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai, en Athlai.
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
26En Ahia, Hanan, Anan,
4Van de kinderen van Pahath-Moab, Eljehoenai, van de zoon van Zerahja; en met hem tweehonderd manspersonen.
37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
12En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchia;
7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
12Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim,
25Het achttiende voor Hanani; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
22Pelatja, Hanan, Anaja,
13Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.
10En hun broederen: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan,
11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.
22En van de kinderen van Pashur: Eljoenai, Maaseja, Ismael, Nethaneel, Jozabad en Elasa.
23En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.
36Vanja, Meremoth, Eljasib,
49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.
12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
43De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;
59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.
7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.
13Hodia, Bani, Beninu;
27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.
13Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel.
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
7En Elisama, en Beeljada, en Elifelet.
7En van de kinderen van Elam, Jesaja, de zoon van Athalja; en met hem zeventig manspersonen.
27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.
24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.
34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;