1 Kronieken 14:7
En Elisama, en Beeljada, en Elifelet.
En Elisama, en Beeljada, en Elifelet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14En dit zijn de namen dergenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn: Schammua, en Schobab, en Nathan, en Salomo.
15En Ibchar, en Elischua en Nefeg, en Jafia,
16En Elischama, en Eljade, en Elifeleth.
17Als nu de Filistijnen hoorden, dat zij David ten koning over Israel gezalfd hadden, zo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David, dat horende, toog af, naar den burg.
6Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,
7En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.
4Dit nu zijn de namen der kinderen, die hij te Jeruzalem had: Sammua, en Sobab, Nathan en Salomo,
5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,
6En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
8Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning gezalfd was over het ganse Israel, zo togen al de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde zo toog hij uit tegen hen.
9Toen de Filistijnen kwamen, zo spreidden zij zich uit in de laagte van Refaim.
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
14Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,
9Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;
24En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.
12David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
13En de drie grootste zonen van Isai gingen heen; zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma.
14En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd.
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
16Adonia, Bigvai, Adin,
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
11En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriel, Asaja en Joel, Semaja, en Eliel, en Amminadab.
17En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eersten aan de hand des konings.
25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;
33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
32Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
18En Jismerai, en Jizlia en Jobab, de kinderen van Elpaal.
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
20Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michael, en Jozabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden der duizenden, die in Manasse waren.
18Simei, de zoon van Ela, in Benjamin.
19Saul nu, en zij, en alle mannen van Israel waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende.
13Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.
14Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
23En van de Levieten: Jozabad, en Simei, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliezer.
8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
39En de zonen van Esek, zijn broeder, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeus, de tweede, en Elifelet, de derde.