1 Kronieken 7:37
Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
38De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.
6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.
7En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziel, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig.
8De kinderen van Becher nu waren Zemira, en Joas, en Eliezer, en Eljoenai, en Omri, en Jeremoth, en Abija, en Anathoth, en Alemeth; deze allen waren kinderen van Becher.
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
29De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
32En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
47De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;
13Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.
36En van den stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden;
28En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,
34En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.
3Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;
25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.
78En aan gene zijde van de Jordaan tegen Jericho, tegen het oosten aan de Jordaan, van den stam van Ruben: Bezer in de woestijn, en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden,
54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
55De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,
15En Zebadja, en Arad, en Eder,
19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.
20En de kinderen van Efraim waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath;
59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
21En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.
7Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiel en Zecharja,
31En Gedor, en Ahio, en Zecher.
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
7Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;
57De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;
20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.
9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.
52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;