1 Kronieken 1:37
De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13En dit zijn de zonen van Rehuel: Nahath, en Zerah, Samma en Mizza; dat zijn geweest de zonen van Basmath, Ezau's huisvrouw.
14En dit zijn geweest de zonen van Aholibama, dochter van Ana, dochter van Zibeon, Ezau's huisvrouw; en zij baarde aan Ezau Jehus, en Jaelam, en Korah.
15Dit zijn de vorsten der zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz.
17En dit zijn de zonen van Rehuel, den zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorst Zera, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuel in het land Edom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau.
35En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.
36De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek.
38De kinderen van Seir nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.
39De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zuster van Lotan was Timna.
40De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.
41De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.
42De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaakan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.
10Dit zijn de namen der zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau's huisvrouw; Rehuel, de zoon van Basmath, Ezau's huisvrouw.
11En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.
4En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.
4Ada nu baarde aan Ezau Elifaz, en Basmath baarde Rehuel.
2En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;
24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
25Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.
26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
17De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
20Dit zijn de zonen van Seir, den Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana,
30Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema,
31Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismael.
28En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.
23En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam.
1Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
10En Jeuz, en Sochja, en Mirma; dezen zijn zijne zonen, hoofden der vaderen.
9En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.
14En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.
26En dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran.
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
16En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel.
43De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.
24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.
22En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;
12Eston nu gewon Beth-rafa, en Pasea, en Tehinna, den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha.
21En de zonen van Uzziel: Misael, en Elzafan, en Sithri.
38Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.