1 Kronieken 7:13
De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
48De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht der Jahzeelieten; van Guni het geslacht der Gunieten;
49Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.
13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
14En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.
12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
1Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
25En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.
32En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.
33De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet.
13Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.
14Dezen zijn de kinderen van Abihail, den zoon van Huri, den zoon van Jaroah, den zoon van Gilead, den zoon van Michael, den zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.
35En de kinderen van zijn broeder Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal.
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
7En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joed, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maaseja, den zoon van Ithiel, den zoon van Jesaja;
43Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.
37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
17De kinderen van Ulam nu waren Bedan; dezen zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.
18Belangende nu zijn zuster Molecheth, zij baarde Ishod, en Abiezer, en Mahela.
19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.
7Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiel en Zecharja,
16En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.
7En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziel, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig.
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
7En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon.
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
1De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.
14De kinderen van Manasse waren Asriel, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead.
10En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.
21En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.
7En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
58De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
6En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
14Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
16En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel.
3Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud,