Genesis 46:10
En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.
En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.
24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
25Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.
26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.
27Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.
12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;
13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
14Dat zijn de geslachten der Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.
20En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isei waren Zoheth en Ben-Zoheth.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
1Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
12En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
14En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.
23De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.
24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.
10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.
9En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.
19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
40De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.
24Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
2Ruben, Simeon, Levi, en Juda;
23En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam.
25Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zeven duizend en honderd;
19En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
4En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.
5Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.
46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;
6En van de kinderen van Zerah was Jeuel, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.
1De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.
7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.