1 Kronieken 6:46
Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,
38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.
39En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechter zijde; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Simea,
40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,
41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.
15En van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, den zoon van Buni.
29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;
30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;
47Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi.
35Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai,
36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
32Benjamin, Malluch, Semarja.
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;
38En Bani, en Binnui, Simei,
25Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.
26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
45De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.
29En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub en Seal, Jeramoth.
6Ook werden zijn zoon Semaja kinderen geboren, heersende over het huis huns vaders; want zij waren kloeke helden.
7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
3Den zoon van Amarja, den zoon van Azarja, den zoon van Merajoth,
6Semaja, en Jojarib, Jedaja,
26De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Beno.
27De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.
21En Adaja, en Beraja, en Simrath waren kinderen van Simei.
20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
25De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.
34En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.
46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;
20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;
4Uthai, de zoon van Ammihud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van de kinderen van Perez, den zoon van Juda.
13En Sallum gewon Hilkia, en Hilkia gewon Azarja;
6En Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth;
12En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiel, den zoon van Jahzera, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon van Immer.
16Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam;
41Azareel, Selemja, Semarja,
53Zadok zijn zoon; Ahimaaz zijn zoon.
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
7Mesullam, Abia, Mijamin,
13En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azareel, den zoon van Achzai, den zoon van Mesillemoth, den zoon van Immer;