Numeri 34:20
En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
25Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.
26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.
19En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
15Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.
10En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.
12En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.
24En van den stam der kinderen van Efraim, de overste Kemuel, zoon van Siftan;
12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;
13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
14Dat zijn de geslachten der Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.
4En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.
5Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.
20En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isei waren Zoheth en Ben-Zoheth.
46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.
10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
32Benjamin, Malluch, Semarja.
25Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zeven duizend en honderd;
22Van de zonen van Simeon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, zijn getelden, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;
23Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.
26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;
18Simei, de zoon van Ela, in Benjamin.
21Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;
1Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel der kinderen van Juda.
7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.
16Doch over de stammen van Israel waren dezen: over de Rubenieten was Eliezer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefatja, de zoon van Maacha;
8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.
19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.
36Op den vijfden dag offerde den overste der kinderen van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;
8En al de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Baalath-Beer, dat is Ramath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen.
24Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;
19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;
43Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.
28De zonen van Samuel nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia.
29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
4De kinderen van Joel: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon Simei;
39Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
25De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.
38Mikloth nu gewon Simeam; dezen woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broederen, met hun broederen.
42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
42Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seir; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Izziel, de zonen van Isei, waren hun tot hoofden.
32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
44Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.