1 Kronieken 4:20

Statenvertaling (States Bible)

En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isei waren Zoheth en Ben-Zoheth.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 79%

    24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.

    25Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.

    26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.

    27Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.

  • 10En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.

  • 15Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.

  • 10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.

  • Gen 46:12-13
    2 verzen
    74%

    12En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.

    13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.

  • 1 Kron 2:1-2
    2 verzen
    74%

    1Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,

    2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.

  • 19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.

  • 6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

  • 12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;

  • 73%

    31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,

    32Benjamin, Malluch, Semarja.

    33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.

  • 20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;

  • 73%

    40De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.

    41De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.

  • 31En de kinderen van Appaim waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.

  • 21En Adaja, en Beraja, en Simrath waren kinderen van Simei.

  • 1De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.

  • 37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;

  • 42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,

  • 10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.

  • 42Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seir; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Izziel, de zonen van Isei, waren hun tot hoofden.

  • 23De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.

  • 57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.

  • 35En de kinderen van zijn broeder Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal.

  • 24Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.

  • 17Het tiende voor Simei; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 16En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel.

  • 20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;

  • 70%

    3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;

  • 17En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.

  • 25En Jifdeja, en Pnuel waren zonen van Sasak.

  • 38De kinderen van Seir nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.

  • 3En dezen zijn van den vader Etam: Jizreel, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelponi.

  • 13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.

  • 7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.

  • 46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,

  • 28En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.

  • 38De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahirmieten;

  • 5De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.

  • 21En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.

  • 11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.