1 Kronieken 6:20

Statenvertaling (States Bible)

Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kron 6:43 : 43 Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 84%

    41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,

    42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,

    43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.

  • 17En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.

  • 80%

    16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.

    17En dit zijn de namen der zonen van Gerson: Libni en Simei.

    18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.

    19De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen.

  • Num 3:18-21
    4 verzen
    78%

    18En dit zijn de namen der zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simei.

    19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.

    20En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten der Levieten, naar het huis hunner vaderen.

    21Van Gerson was het geslacht der Libnieten, en het geslacht der Simeieten; dit zijn de geslachten der Gersonieten.

  • 78%

    21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.

    22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;

  • 76%

    29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;

    30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.

  • 1 Kron 6:1-2
    2 verzen
    76%

    1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.

    2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.

  • 75%

    10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.

    11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.

  • 11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.

  • 38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.

  • 22Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath.

  • 2En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;

  • 26Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;

  • 74%

    46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,

    47Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi.

  • 14En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.

  • 26De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.

  • 19En Jakim, en Zichri, en Zabdi,

  • 58Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Hebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Muzieten, het geslacht der Korachieten. En Kohath gewon Amram.

  • 72%

    35Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai,

    36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,

  • 19En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot huisvrouw, en zij baarde hem Aaron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.

  • 15Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.

  • 12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;

  • 27De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.

  • 14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;

  • 21En de zonen van Uzziel: Misael, en Elzafan, en Sithri.

  • 42En Achaz gewon Jaera, en Jaera gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; en Zimri gewon Moza;

  • 6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

  • 36En Achaz gewon Jehoadda, en Jehoadda gewon Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza;

  • 17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;

  • 6En van de kinderen van Zerah was Jeuel, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.

  • 1Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,

  • 2Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,

  • 9En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan;

  • 19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;

  • 48De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht der Jahzeelieten; van Guni het geslacht der Gunieten;

  • 26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.