1 Kronieken 6:38
Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.
Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
34Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah,
35Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai,
36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
37Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,
18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
19De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen.
20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;
23Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir;
24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.
1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.
2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
3En de kinderen van Amram waren Aaron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
4En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisua;
39En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechter zijde; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Simea,
40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,
41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.
44Hunne broeders nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linker zijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch,
45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,
46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
47Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi.
19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.
16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.
24En Eleazar, de zoon van Aaron, nam voor zich een van de dochteren van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.
18En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten.
19En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot huisvrouw, en zij baarde hem Aaron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.
27En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.
29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;
30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
21En de zonen van Uzziel: Misael, en Elzafan, en Sithri.
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
12De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier.
50Dit nu zijn de kinderen van Aaron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon;
51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;
27Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.
58Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Hebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Muzieten, het geslacht der Korachieten. En Kohath gewon Amram.
30De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kahathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziel.
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
6En Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth;
17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;
6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.
14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;
8De kinderen van Ethan nu waren Azaria.
17Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.
34Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israel.
4Den zoon van Zerahja, den zoon van Uzzi, den zoon van Bukki,