Numeri 3:27

Statenvertaling (States Bible)

En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kron 26:23 : 23 Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
  • Num 3:19 : 19 En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.
  • 1 Kron 23:12 : 12 De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 3:19-21
    3 verzen
    91%

    19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.

    20En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten der Levieten, naar het huis hunner vaderen.

    21Van Gerson was het geslacht der Libnieten, en het geslacht der Simeieten; dit zijn de geslachten der Gersonieten.

  • 1 Kron 6:1-3
    3 verzen
    87%

    1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.

    2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.

    3En de kinderen van Amram waren Aaron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.

  • 18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.

  • 18En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten.

  • 84%

    11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.

    12De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier.

  • Num 3:28-31
    4 verzen
    83%

    28In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms.

    29De geslachten der zonen van Kahath zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, zuidwaarts.

    30De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kahathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziel.

    31Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de altaren en het gereedschap des heiligdoms, met hetwelk zij dienst doen, en het deksel, en al wat tot zijn dienst behoort.

  • 23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,

  • Num 26:57-58
    2 verzen
    81%

    57Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.

    58Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Hebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Muzieten, het geslacht der Korachieten. En Kohath gewon Amram.

  • Num 4:36-38
    3 verzen
    79%

    36Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.

    37Dit zijn de getelden van de geslachten der Kahathieten, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.

    38Insgelijks de getelden der zonen van Gerson, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen;

  • 17Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.

  • 34Mozes dan en Aaron, en de oversten der vergadering telden de zonen der Kahathieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen:

  • 2Neemt op de som der zonen van Kahath, uit het midden der zonen van Levi, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen.

  • 22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;

  • 77%

    37Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,

    38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.

  • 24En Eleazar, de zoon van Aaron, nam voor zich een van de dochteren van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.

  • 11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.

  • 18Gij zult den stam van de geslachten der Kahathieten niet laten uitgeroeid worden, uit het midden der Levieten;

  • 16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.

  • 5Van de kinderen van Kehath was Uriel overste, en van zijn broederen waren honderd en twintig.

  • 33Van Merari is het geslacht der Mahelieten, en het geslacht der Musieten; dit zijn de geslachten van Merari.

  • 21En de zonen van Uzziel: Misael, en Elzafan, en Sithri.

  • 6Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.

  • 20De huisgezinnen nu der kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kahath, die hadden de steden huns lots van den stam van Efraim.

  • 54En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun landpalen, namelijk van de zonen van Aaron, van het huisgezin der Kahathieten, want dat lot was voor hen.

  • 46Al de getelden, welke Mozes en Aaron, en de oversten van Israel geteld hebben van de Levieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen,

  • 2En dit zijn de namen der zonen van Aaron: de eerstgeborene, Nadab, daarna Abihu, Eleazar, en Ithamar.

  • 32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.

  • 9Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst der heilige dingen was op hen, die zij op de schouderen droegen.

  • 16Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;

  • 4Dit zal de dienst zijn der zonen van Kahath, in de tent der samenkomst, te weten de heiligheid der heiligheden.

  • 17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;

  • 12Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amasai, en Joel, de zoon van Azarja, van de kinderen der Kahathieten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehaleel; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;

  • 42En de getelden van de geslachten der zonen van Merari, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen,

  • 15Als nu Aaron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap des heiligdoms, in het optrekken des legers, zullen voleind hebben, zo zullen daarna de zonen van Kahath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last der zonen van Kahath, in de tent der samenkomst.

  • 34Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah,

  • 44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.

  • 45Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.

  • 23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.