Numeri 26:32
En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
35Dit zijn de zonen van Efraim, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.
36En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.
37Dat zijn de geslachten der zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
38De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahirmieten;
39Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
29De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.
30Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
31En van Asriel het geslacht der Alrielieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
33Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
45Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.
15De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.
16Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;
17Van Arod het geslacht der Arodieten; van Areli het geslacht der Arelieten.
12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;
13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
20Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.
21En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.
49Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.
24Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
32En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.
6Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.
36Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;
19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.
23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
26De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.
10De zoon van Hesed in Arubboth; hij had daartoe Socho en het ganse land Hefer.
27En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
5De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
57Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.
42Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.
43Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.
3Zelafead nu, de zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
21Van Gerson was het geslacht der Libnieten, en het geslacht der Simeieten; dit zijn de geslachten der Gersonieten.
17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;
14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;
1Toen naderden de dochteren van Zelafead, den zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);
12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
7De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
19De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en Simei; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hunlieder zuster;
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
27Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.
16En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
53En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.