1 Kronieken 2:53

Statenvertaling (States Bible)

En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Joz 15:33 : 33 In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
  • Richt 13:2 : 2 En er was een man van Zora, uit het geslacht van een Daniet, wiens naam was Manoach; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet.
  • Richt 13:25 : 25 En de Geest des HEEREN begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol.
  • 2 Sam 23:38 : 38 Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;
  • 1 Kron 11:40 : 40 Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;
  • Joz 19:41 : 41 En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-Semes,
  • Richt 16:31 : 31 Toen kwamen zijn broeders af, en het ganse huis zijns vaders, en namen hem op, en brachten hem opwaarts, en begroeven hem tussen Zora en tussen Esthaol, in het graf van zijn vader Manoach; hij nu had Israel gericht twintig jaren.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 77%

    54De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft der Manathieten, en de Zorieten.

    55En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.

  • 52De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.

  • 1 Kron 4:2-3
    2 verzen
    76%

    2En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;

    3En dezen zijn van den vader Etam: Jizreel, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelponi.

  • 13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.

  • 72%

    10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.

    11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.

  • 49Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.

  • 16En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel.

  • 57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.

  • 23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,

  • 16Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;

  • 22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.

  • 33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,

  • 20Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.

  • 25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.

  • 12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.

  • 32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.

  • 27En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.

  • 44De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;

  • 42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,

  • 37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;

  • 42De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.

  • 46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;

  • 4Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, den zoon van Zacharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sefatja, den zoon van Mahalaleel, van de kinderen van Perez;

  • 70%

    14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,

    15En Zebadja, en Arad, en Eder,

  • 22Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath.

  • 19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,

  • 11En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.

  • 53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;

  • 39Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.

  • 27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.

  • 27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.

  • 69%

    5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;

    6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;

  • 10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.

  • 16En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.

  • 28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,

  • 29En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,

  • 31En de kinderen van Appaim waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.

  • 40Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;

  • 37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.

  • 3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.

  • 8En Gath, en Maresa, en Zif,

  • 41En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-Semes,

  • 45Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.

  • 19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.

  • 17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,