1 Kronieken 2:54

Statenvertaling (States Bible)

De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft der Manathieten, en de Zorieten.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ezra 2:22 : 22 De mannen van Netofa, zes en vijftig.
  • Neh 7:26 : 26 De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;
  • Neh 12:28 : 28 Alzo werden de kinderen der zangers verzameld, zo uit het vlakke veld rondom Jeruzalem, als uit de dorpen van de Netofathieten;
  • Joz 16:2 : 2 En het komt van Beth-El uit naar Luz; en het gaat door tot de landpale des Archiets, tot Ataroth toe;
  • 2 Sam 23:29 : 29 Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;
  • 1 Kron 11:30 : 30 Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 78%

    51Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.

    52De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.

    53En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.

  • Ezra 2:53-54
    2 verzen
    71%

    53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;

    54De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.

  • 55En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.

  • 2En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;

  • Ezra 2:21-22
    2 verzen
    70%

    21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.

    22De mannen van Netofa, zes en vijftig.

  • 22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.

  • 11En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz.

  • 4Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, den zoon van Zacharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sefatja, den zoon van Mahalaleel, van de kinderen van Perez;

  • 45De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.

  • 57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.

  • 20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;

  • 24Zif, en Telem, en Bealoth,

  • 28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;

  • 13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.

  • Ezra 2:43-44
    2 verzen
    69%

    43De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

    44De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;

  • 7En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Hodavja, den zoon van Hassenua;

  • 42De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.

  • 7En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joed, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maaseja, den zoon van Ithiel, den zoon van Jesaja;

  • 28Alzo werden de kinderen der zangers verzameld, zo uit het vlakke veld rondom Jeruzalem, als uit de dorpen van de Netofathieten;

  • Joz 15:55-56
    2 verzen
    68%

    55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,

    56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,

  • 46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;

  • 15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.

  • 27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;

  • 58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,

  • 7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.

  • 28En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.

  • 30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.

  • 3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.

  • 9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.

  • 27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.

  • 20Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;

  • 33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.

  • 30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,

  • 50De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim;

  • 49Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.

  • 26Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;

  • 24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.

  • 33De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.

  • 31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,

  • 40En de zonen van Bela waren Ard en Naaman; van Ard het geslacht der Ardieten; van Naaman het geslacht der Naamieten.

  • 59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;

  • 56De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;

  • 16En Obadja, de zoon van Semaja, den zoon van Galal, den zoon van Jeduthun; en Berechja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, woonachtig in de dorpen der Netofathieten.

  • 8En Gath, en Maresa, en Zif,