Ezra 2:43

Statenvertaling (States Bible)

De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kron 9:2 : 2 De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israelieten, de priesters, de Levieten, en de Nethinim.
  • Ezra 2:58 : 58 Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
  • Neh 7:46-56 : 46 De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth; 47 De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon; 48 De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai; 49 De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar; 50 De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda; 51 De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah; 52 De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim; 53 De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur; 54 De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa; 55 De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah; 56 De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;
  • Neh 10:28 : 28 En het overige des volks, de priesteren, de Levieten, de poortiers, de zangers, de Nethinim, en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden tot Gods wet, hun vrouwen, hun zonen en hun dochteren, al wie wetenschap en verstand had;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Neh 7:45-47
    3 verzen
    92%

    45De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;

    46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

    47De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;

  • 42De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig.

  • Ezra 2:44-54
    11 verzen
    80%

    44De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;

    45De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub;

    46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;

    47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;

    48De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam;

    49De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;

    50De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim;

    51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;

    52De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;

    53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;

    54De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.

  • 21En de Nethinim woonden in Ofel; en Ziha en Gispa waren over de Nethinim.

  • Ezra 2:57-58
    2 verzen
    77%

    57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.

    58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

  • Ezra 2:8-12
    5 verzen
    76%

    8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.

    9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.

    10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.

    11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.

    12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.

  • 56De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;

  • Neh 7:52-54
    3 verzen
    75%

    52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;

    53De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;

    54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;

  • 24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.

  • Ezra 2:2-4
    3 verzen
    75%

    2Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.

    3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.

    4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.

  • Neh 7:59-60
    2 verzen
    75%

    59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;

    60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

  • 40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.

  • 13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;

  • 29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.

  • 60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.

  • 20En van Nethinim, die David en de vorsten ten dienste der Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig Nethinim, die allen bij namen genoemd werden.

  • 33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.

  • 62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.

  • 43De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;

  • 2De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israelieten, de priesters, de Levieten, en de Nethinim.

  • 49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;

  • 19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.

  • 27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.

  • 37De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.

  • 8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;

  • Neh 10:12-13
    2 verzen
    72%

    12Zakkur, Serebja, Sebanja,

    13Hodia, Bani, Beninu;

  • 26De Nethinim nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en den uitstekenden toren.