Ezra 2:24

Statenvertaling (States Bible)

De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Neh 7:28 : 28 De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;

  • Ezra 2:6-12
    7 verzen
    79%

    6De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.

    7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.

    8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.

    9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.

    10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.

    11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.

    12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.

  • Ezra 2:37-43
    7 verzen
    79%

    37De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.

    38De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig.

    39De kinderen van Harim, duizend en zeventien.

    40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.

    41De zangers. De kinderen van Asaf honderd acht en twintig.

    42De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig.

    43De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

  • Ezra 2:25-29
    5 verzen
    78%

    25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.

    26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.

    27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.

    28De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.

    29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.

  • Ezra 2:21-23
    3 verzen
    77%

    21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.

    22De mannen van Netofa, zes en vijftig.

    23De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig.

  • 17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;

  • Ezra 2:14-19
    6 verzen
    75%

    14De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.

    15De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig.

    16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.

    17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.

    18De kinderen van Jora, honderd en twaalf.

    19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.

  • Ezra 2:57-58
    2 verzen
    75%

    57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.

    58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

  • Neh 7:43-44
    2 verzen
    75%

    43De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;

    44De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig;

  • Ezra 2:3-4
    2 verzen
    74%

    3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.

    4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.

  • Neh 7:23-24
    2 verzen
    74%

    23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;

    24De kinderen van Harif, honderd en twaalf;

  • Ezra 2:31-32
    2 verzen
    73%

    31De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.

    32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.

  • 64Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig.

  • Neh 7:12-13
    2 verzen
    73%

    12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;

    13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;

  • 40De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;

  • 62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.

  • 52De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;

  • 60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

  • 34De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.

  • 13En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azareel, den zoon van Achzai, den zoon van Mesillemoth, den zoon van Immer;

  • 49De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;