Ezra 2:52
De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
48De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;
49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
50De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;
51De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;
52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
53De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
55De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
56De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;
43De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
44De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;
45De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub;
46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;
47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;
48De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam;
49De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;
50De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim;
51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
54De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.
56De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
22De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;
23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;
24De kinderen van Harif, honderd en twaalf;
2Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.
12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.
14De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.
46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.
30De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig.
2Amarja, Malluch, Hattus,
24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.
16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
39De kinderen van Harim, duizend en zeventien.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
40Machnadbai, Sasai, Sarai,
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
18Hodia, Hasum, Bezai,