Ezra 2:32
De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
35De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;
36De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
37De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.
38De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig.
39De kinderen van Harim, duizend en zeventien.
40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.
42De kinderen van Harim, duizend en zeventien;
31De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.
34De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.
35De kinderen van Senaa, drie duizend zeshonderd en dertig.
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.
17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
18De kinderen van Jora, honderd en twaalf.
19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.
7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
22De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;
23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;
24De kinderen van Harif, honderd en twaalf;
24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.
25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.
26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.
27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.
12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.
12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
32Benjamin, Malluch, Semarja.
17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.
21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.
62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
40De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;
51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
52De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
44De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;
32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;
46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;
42De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig.