Nehemia 7:42
De kinderen van Harim, duizend en zeventien;
De kinderen van Harim, duizend en zeventien;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
36De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig.
37De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.
38De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig.
39De kinderen van Harim, duizend en zeventien.
40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.
34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
35De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;
36De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
38De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;
39De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig;
40De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;
41De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig;
31De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.
34De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.
24De kinderen van Harif, honderd en twaalf;
43De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;
7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
10De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
11De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;
12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;
25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.
28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
29De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;
17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;
7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
45De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;
46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
47De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;
60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
53De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
21De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig;
22De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;
18De kinderen van Jora, honderd en twaalf.
66Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;